|
De natuurlijke tuin wordt gekenmerkt door de afwezigheid van
stijlelementen. De begroeiing is volledig afhankelijk van de bodemgesteldheid,
waterhuishouding en de omgeving. In een stadse situatie zou een natuurlijke tuin
enigzins misplaatst zijn. In een landelijke omgeving daarentegen zou hij
schitterend tot zijn recht kunnen komen.
Filosofie van een natuurlijke tuin is, dat er uitsluitend planten in groeien,
die van nature in de streek thuis horen en dat er zo min mogelijk ingegrepen
wordt in de natuurlijke processen. De natuurlijke tuin is zeer dynamisch. Hij
verandert voortdurend. Bepaalde planten verdwijnen en er komen nieuwe voor in de
plaats.
Onkruiden zoals brandnetels, fluitenkruid, paardebloemen, grassen, weegbree,
wilde koekoeksbloem, boshyacinthen, varens enz. horen er in thuis. Evenals
vlierbes, wilgen, esdoorns en een hele reeks aan stinzenplanten.
De natuurlijke tuin begint al vlak bij het huis, waar men hier en daar wat
bloeiende planten zoals vingerhoedskruid, lupine en gulden roede plant voor wat
extra sfeer. Een ruig grasveld, dat meer een weide is en slechts sporadisch
gemaaid wordt, vormt het 'terras'. Als erfafscheiding gebruikt men takkenhagen
van snoeihout, die overwoekerd raken door kamperfoelie en clematis montana. Hier
en daar staat een fruitboom. Paden zijn van natuurlijk materiaal zoals
houtsnippers of cacaodoppen. De natuurlijke tuin is bijzonder onderhoudsarm. Er hoeft slechts zeer sporadisch
ingegrepen te worden. Het 'werk' beperkt zich tot het af en toe maaien van het
grasveldje en het vrijhouden van de paden.
|